Platform GRAS CBK presenteren

STAAT IN GRONINGEN

Kunst en architectuur in Stad

vergroot

Beelden in een muur

  • Door: Leo van der Laan
  • In: Beelden in de stad Groningen
  • Plaats en datum van uitgave: Groningen, 1985

Opmerkelijk is de toepassing van de percentageregeling bij de school voor Christelijk Individueel Technisch Onderwijs 'Prins Willem Alexander' aan de Dierenriemstraat. Niet alleen is het overlegproces op een interessante manier verlopen, maar ook is het resultaat een gelukkige samenwerking tussen beeldende kunst en architectuur, waarbij beide elkaars kwaliteiten versterken.

Het schoolgebouw is een geslaagd voorbeeld van naoorlogs functionalisme, waarbij een afgewogen compositie van horizontaal uitgestrekte volumes is bereikt. Horizontaliteit overheerst ook in de voorgevel, die evenwijdig aan de K. de Vriezestraat loopt en eindigt op het punt dat deze in een bocht overgaat in de Dierenriemstraat. Ter hoogte van die plek bevindt zich de hoofdingang met dwars daarvoor een opengewerkte muur. In de opening van de muur zijn drie beelden opgenomen van George van der Wagt.

De school is gebouwd in de tweede helft van de jaren zestig. Op aanraden van de architect, P. Schuhmacher, werd Van der Wagt ingeschakeld voor een kunstopdracht (1). Het schoolbestuur vergewiste zich na deze voordracht van het functioneren van de regeling bij het ministerie van C.R.M. en gaf in september 1967 aan Van der Wagt opdracht om een ontwerp te maken. Bij deze uitnodiging kreeg de kunstenaar echter geen carte blanche. Zowel de architect als het schoolbestuur kwamen met een aantal aanwijzingen.

Voor Schuhmacher was een eenheid van kunst en architectuur belangrijk, waarbij beide elkaar moesten dienen, zonder dat de grenzen vervaagden; het beeldhouwwerk moest wel zelfstandig blijven. Het basisgegeven was voor hem de betonnen muur die vóór de ingang was geprojecteerd. Slechts een dekplaat zou de muur met het gebouw verbinden, zodat er een gang met een transparante wand ontstond. Door openingen in de muur moest daglicht de ingangshal kunnen binnenstromen. De beelden die Van der Wagt in de openingen zou plaatsen, moesten aan beide zijden bewerkt zijn en dienden het binnen vallend licht voor hun werking te benutten (2). Dit verregaand gedetailleerde verlanglijstje doet vermoeden, dat er al intensief contact tussen architect en kunstenaar aan voorafgegaan was.

Dat was maar goed ook, want het schoolbestuur kwam met de wens, dat het kunstwerk van geglazuurd aardewerk moest zijn en het – onvermijdelijke - verlangen, dat het afgebeelde diende te onderstrepen dat het om een technische school ging.

Al in zijn eerste ontwerp ging George van der Wagt voorbij aan de laatste wens van het schoolbestuur. In de eerste plaats was hij op de hoogte van het functioneren van de beoordelingscommissie van het ministerie van C.R.M. en hij voorzag dat deze een figuratief ontwerp, in de zin welke het schoolbestuur wenste, af zou keuren. Het was volgens Van der Wagt " (-) een commissie die alleen naar het werk keek, naar de architectuur en de omgevingssituatie". Ook van de architect verwachtte hij geen positieve reactie op een ontwerp met een naturalistische verwerking van technische gebruiksvoorwerpen. Bovendien kende hij veel te veel technische scholen, " (-) waar mannetjes aan het zwoegen waren met hamer en beitels, tandwielen bij de vleet, pet op, werkbroek aan". In een tweede vergadering tenslotte kon hij er schoolbestuur en architect van overtuigen, dat keramiek op deze plek te kwetsbaar zou zijn. Van der Wagt vond geglazuurd aardewerk op zich een goed materiaal, erg sprekend door zijn kleur en weerbestendig, maar : " (-) één klinker er tegen en het zou gepiept zijn".

Praktische argumenten zijn in een dergelijke situatie, waarin iedereen denkt over het specialisme van de kunstenaar te kunnen meepraten, immer ijzersterk. Zijn uiteindelijke voorstel behelsde de plaatsing van drie non-figuratieve, stenen plastieken in de opening van de muur. De betrokkenen gingen hiermee akkoord en 2 april 1968 kreeg hij de officiële opdracht van het schoolbestuur. De beoordelingscommissie van C.R.M. keurde de opgestuurde maquette met gegevens op 10 juli goed, waarna Van der Wagt tot uitvoering kon overgaan. In september 1969 werd het werk opgeleverd.

Het resultaat is een tweezijdig, opengewerkt reliëf, waarvan de drie onderdelen ook een zekere zelfstandigheid behouden ten opzichte van de muur. De drie plastieken zijn gemaakt van 'Bianco del Mare', een Joegoslavische kalksteen. Het oppervlak is rul gehouden en vertoont nog sporen van de beitel. Met bronzen pennen zijn de elementen in de muur verankerd en vervolgens vastgekit.

Het werkproces van de kunstenaar is grotendeels gebaseerd op de principes die door de architect in een eerder stadium waren geformuleerd. George van der Wagt is zo vriendelijk geweest om zijn overwegingen en zijn methoden voor ons op papier te zetten.

Hij werkte vanuit drie gegevens: de plastische vormen in verhouding tot de verschillende openingen in de muur, de eenheid in vormgeving tussen de voor- en achterzijde en het lichtspel door de verschillende invalshoeken van de zon op de sculpturen zelf en in de daarachter gelegen ruimte. Om deze factoren te onderzoeken maakte Van der Wagt in zijn Amsterdamse atelier een schaalmodel van de situatie. Hij begon met het ontwerpen van de openingen in de muur. Vervolgens plaatste hij in deze openingen drie onbewerkte steenblokken. Zo probeerde hij tot een juiste verhouding te komen, uitgaande van de architectuur .

Toch wijzigde hij de ontwerpen voor de muuropeningen nog herhaalde malen in verband met de plasticiteit van de elementen en de lichtval. Hij wilde plastisch gaan werken en "(-) moest verder afstand nemen van het begrip 'reliëf' " om tot een driedimensionaal effect te geraken. Daartoe heeft hij sommige vlakken onder een bepaalde hoek gehakt, wat de illusie geeft van diepte door de werking van het perspectief; alsof de vorm zich naar achter voortzet. Dit betekent dat Van der Wagt bij zijn vormgeving niet alleen uitging van het materiaal of van de relatie met de architectuur, maar dat hij ook de kijker erbij betrok. Een ander optisch bijverschijnsel is de licht-donkerwerking en de schaduwen, die door het kunstwerk op de ingang geworpen worden. De muur ligt pal op het zuiden, zodat gedurende de hele dag wisselende schaduwvormen door de hal spelen. Van binnenuit moest bovendien rekening gehouden worden met interessante silhouetten. Om zich een indruk te kunnen vormen van het optische beeld dat voor de kijkers zou ontstaan, heeft de beeldhouwer verschillende 'distantiepunten' geconstrueerd (3).

Het eindresultaat van die overwegingen zijn drie afzonderlijke, plastische vormen, die als globale vorm nogal verschillen van elkaar, maar door een gelijksoortige bewerking en detaillering die voortkomt uit de verwerking van alle factoren, een eenheid vormen. Gebogen en rechte contouren, ovale en rechthoekige vormen, holtes en uitstulpingen wisselen elkaar speels af. Door de lichte en donkere plekken wordt een levendig effect bereikt, wat contrasteert met de strakke vormen van de architectuur.

George van der Wagt werd geboren in 1921 in Rotterdam en was daar van 1943 tot 1945 leerling aan de Academie voor Beeldende Kunsten, onder andere bij John Raedecker. Deze assisteerde hij ook bij de realisering van het Nationaal Monument op de Dam in Amsterdam. Tenslotte zat hij nog één jaar op de Rijksacademie aldaar (4). Vanaf 1951 heeft hij zowel in gebonden als in vrije situaties gewerkt. Een ander in opdracht vervaardigd werk is te vinden op de zijmuur van de MTS aan de Muntinghlaan in Groningen. Dit is een reliëf in aardewerk. Waarschijnlijk heeft dit het schoolbestuur van de 'Prins Willem Alexanderschool' ertoe gebracht om iets dergelijks te verlangen. Gelukkig is de kunstenaar hier in een goede samenwerking met de architect tot een andere, meer overtuigende oplossing gekomen.

Noten:
1. P. Schuhmacher is medewerker van het architectenbureau G.A. Heldoorn n.v., gevestigd in Leeuwarden en Amsterdam.
2. Uit een ongedateerde brief van het architectenbureau met aanwijzingen voor het ontwerpen en vervaardigen van een kunstwerk, gericht aan George van der Wagt.
3. Er is in het bovenstaande gebruik gemaakt van een brief van George van der Wagt aan Leo van der Laan, d.d. 25-6-1983, waarin Van der Wagt vele feitelijke gegevens omtrent de totstandkoming van het kunstwerk vermeldt en inzicht geeft in zijn werkproces.
Helaas werd het aantal distantiepunten een maand voor de gelijktijdige opening van de school en de onthulling van het kunstwerk beperkt, doordat het schoolbestuur hekken rond het schoolterrein liet plaatsen in verband met het toenemend vandalisme. Men kan de muur niet meer van grotere afstand bekijken.
4. Pieter A. Scheen, Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750-1950, Den Haag 1970, deel II, 557.

Lees meer

logo logo logo

Platform GRAS en het CBK Groningen bieden u deze website aan. Met dank aan de Gemeente Groningen.
Colofon | Proclaimer