Platform GRAS CBK presenteren

STAAT IN GRONINGEN

Kunst en architectuur in Stad

vergroot

Zien is geloven, hedendaagse religieuze kunst

  • Door: John Oomkes
  • In: www.forum.nl/ZienIsGeloven
  • Plaats en datum van uitgave: 1998

Interview met Joseph Semah afgenomen in 1998 n.a.v. een tentoonstelling religieuze kunst in Haarlem.

JOSEPH SEMAH (51), geboren in Baghdad en opgegroeid in Tel Aviv, belandde in 1983 in Amsterdam. De elektrotechnicus en filosoof neemt een geheel eigen plaats in binnen de Nederlandse kunstwereld. Als niet-praktiserend jood heeft Semah een indrukwekkende en complexe studie verricht naar wat hij het misverstand noemt tussen de christelijke bronnen op de westerse creativiteit en de joodse invloeden daarop. Hij meent als gevolg daarvan serieus dat de gevestigde kunstkritiek de wezenlijke achtergronden van bijvoorbeeld het werk van Piet Mondriaan en Barnett Newman verkeerd lezen.

Twee geschriften in het bijzonder hebben de christelijke ethiek jegens het judaïsme volgens Semah getekend. Zo ziet hij een grote overeenkomst tussen Hitlers Mein Kampf en Luthers vrijwel vergeten schotschrift 'Von den Juden und ihren Lügen. Daarnaast heeft Semah een verbijsterende kunstfilosofische theorie opgebouwd rond het Hebreeuwse theologische geschrift YAKENHAZ, dat in middelduits verbasterd werd tot Jag den Hase. In christelijk Europa stond de haas voor een code om het op te jagen. Het jodendom af te maken. Van Dürer tot Beuys ziet Semah sporen van deze thematiek en anekdotiek terug.

'Achteraf was het niet willekeurig waarom ik me in Amsterdam heb gevestigd. Achteraf. Je zoekt altijd naar wat je drijft. Waarom niet Parijs, waar ik ook heb gezeten. New York, waar me een visum werd geweigerd? Dat waren cultureel gezien misschien interessantere vestigingsplaatsen. Nee, Amsterdam, de plek van de tolerantie. Van Spinoza tot ver na de Tweede Wereldoorlog. We zijn die tolerantie nu aan het kwijtraken, aan het vergooien. Het is wel de enige plek in Europa waar ik zonder angst aandacht kan vragen voor mijn opvattingen over naoorlogse kunst, het postmodernisme. Een van mijn problemen was de verspreiding van informatie. Onder beeldend kunstenaars wordt nauwelijks gepraat over mogelijkheden om aan exposities of publicaties te komen. Wij, mijn vrouw Hedie Meyling en ik, hebben onszelf moeten redden. Bijvoorbeeld door de Stichting Makkom, een kunstcentrum op te richten en zelf meer dan dertig boeken uit te geven.

Hier in Nederland lopen in de beeldende kunst en in, wat ik 'de museale ruimte noem', het geheel aan galeries, kunstkringen en musea heel veel angstige mensen rond. Bang dat ze niet voor vol worden aangezien, bevreesd dat ze niet in aanmerking komen voor een beurs. Een kunstenaar kan hier niet gelukkig zijn als hij niet door een selectiecommissie komt. Doordat we zelf ons hebben georganiseerd ken ik de hele kunstwereld. En neem ik nog meer een vreemde positie in als ik al zou doen als filosoof. Maar ook in Israël ben ik zeer omstreden. Ik ben niet bang van selectiecommissies of van een kunstkardinaal als Rudi Fuchs. Ik doe het allemaal niet uit erkenning voor mijn opvattingen. Ik hoop uiteindelijk een betere wereld te krijgen voor onze kinderen.

Natuurlijk ben ook ik een egoïst, daar krijg je ambitie en creativiteit van. Ik verwijt mensen als Fuchs dat hij nooit echt confrontaties aangaat. Al zijn exposities staan in het licht van het romantische licht uit Duitsland. Zijn angst? In die sector? De uitgangspunten van de museale ruimte, van de hele kunstwereld staan altijd in verband met de principes van het christendom, of ze nou geseculariseerd zijn of niet. Laat ik dat proberen te plaatsen. Tijdens het Derde Rijk werd niet alleen geprobeerd het jodendom te vernietigen, maar ook geprobeerd het joodse gedachtegoed uit de weg te werken. Daarbij volgde men het principe van het niet tolerante christendom dat niets van andere opvattingen moest hebben. Ik noem dat de secularisatie van het christendom. Ik koppel de vernietiging van het jodendom door Hitler en zijn volgelingen aan het begrip talid, dat is het gebedskleed van de joden. Ik ben geen religieuze man die de synagoge opzoekt. Ik bid zelf niet. Maar ik ben wel besneden. En dat is mijn relatie met het symbool van de talid.

Na de Tweede Wereldoorlog kwam je geen talids, gebedskleden meer in Europa tegen. Wat Barnett Newman heeft gedaan met zijn zogenaamd abstracte schilderijen had niets te maken met de dominantie van die abstracte kunst. Hij heeft het niet-representeerbare (bijvoorbeeld God of je angsten) willen laten zien. Zijn werk was geen schilderkunst, maar sloeg een brug tussen de joodse talid en het christelijke, archaïsche kruis. Wat wij niet zien, wat wij systematisch ontkennen in de naoorlogse kunst is de inhoudelijke kant ervan. Die is er wel, maar wordt versluierd, door de kunstkritiek, door de angst van de kunstenaar zelf. Barnett Newman heeft zelf slechts één keer gepraat over wat hem werkelijk bewoog: in een interview met een Canadese krant in 1950.

'Mijn werk is gebaseerd op de polemiek van wat het heilige is van het heilige'. Eén keer, daarna nooit meer. Hij doelt daarmee op de vernietigde tempel van koning David. Daarin zie ik het verband met de uitbanning van de talid. Ik praat strikt genomen niet uit een religieus vertrekpunt, maar wel over het misverstand tussen het joden- en het christendom. En die gaat over de vraag of je het onrepresenteerbare kunt representeren. De kunstwereld volgt sinds de Franse Revolutie hetzelfde principe: plotseling waren er objecten en schilderijen die op zichzelf leken te staan, geen relatie met wat dan ook leken te hebben. Maar als de kunstenaar vrijmetselaar of in het geheim jezuïet of jood is kan je zijn werk nooit los zien van zijn opvattingen. In de naoorlogse schilderkunst van bijvoorbeeld Barnett Newman zien we vaak volledig geseculariseerde, abstracte schilderkunst.

Mijn fascinatie met wat Luther in zijn donkere kant heeft geschreven over de joden gaat zover dat ik een oorspronkelijke uitgave van zijn schotschrift 'Von den Juden und ihren Lügen' heb gekocht. Vijf mille. Nooit opengeslagen; ik heb de tekst bestudeerd vanaf een facsimile. In de laatste twintig pagina's staat wat er met ons moet gebeuren. 'We moeten de joden vernietigen, hun dochters verkrachten'. Ik praat over 1543, de slechte kant van de Reformatie. De zwarte kant van Luther heb ik in Berlijn leren kennen. In Israël kent niemand hem; ook hier in Holland zijn er weinigen die echt iets van hem weten. Maar als je de de naoorlogse schilderkunst tot en met de kleinste installatie wilt duiden, dan moet je thuis zijn in deze gedachten. Dat gaat niet alleen over Luther, maar over alchemisme, Rozekruisers, over satanische krachten. Je schrikt je gek als je Luthers teksten over de joden leest. Hoe maak ik ze af? En in Israël kent niemand ze.

Ik heb het daarom over selectief geheugen. Ik heb het daarom over een eenzijdige interpretatie van Barnett Newman, wiens werk nooit zomaar alleen uit schilderkunstig oogpunt was gemaakt. Newman streefde naar een rehabilitatie van het talid, het joodse symbool na de Tweede Wereldoorlog. En het werk van Jozef Beuys kun je niet los zien van diens streven om nou juist de rehabilitatie van het joodse denken, de joodse talid te voorkomen.
Ik zeg niet dat hij blij was dat de joden waren vernietigd, maar hij was niet zo tolerant dat hij onze opvattingen de ruimte gunde.

Ik heb als kunstenaar en filosoof geen relatie met het jaar 2000. Achter ons in deze eeuw, en daarvoor, liggen rotzooi en bloedvergieten. Wat moet ik met het jaar 2000? Als we het misverstand tussen de joden en de christenen niet wezenlijk oplossen? Er heerst alom amnesia over deze materie. Ook in Israel, waar ik absoluut zoiets ben als een persona non grata. Voor de linksen ben ik te rechts en voor de rechtsen ben ik gek.

En hier? Ik heb mensen als Rudi Fuchs gevraagd waarom hij nooit denkt over de Tweede Wereldoorlog. Het gaat helemaal niet over de kwaliteit van het werk dat hij wel in het Stedelijk Museum laat zien. Noorderlicht of niet, het interesseert me niet. Laat ons praten over de rijkdom van de verschillende culturen in ons land, in Europa? Hij is een verkrampte, bange ambtenaar. Waarom? Ik weet het niet. Misschien wil hij de stem van de ander niet laten horen omdat hij ooit directeur van een Duits museum wil worden. We moeten praten over religie of geen religie en over de vraag welke verklaringen te vinden zijn in de naoorlogse schilderkunst. Ik zie tot vandaag de grote macht van het inhumane Derde Rijk in wat er in de museale ruimte gebeurt.

We zien het honderd procent verkeerd als we die ontkennen. Barnett heeft het over de YAKENHAZ, over de jacht op de jood en niet zoals destijds Thomas Hess over de kaballa. Edy de Wilde, de toenmalige directeur van het Stedelijk heeft die in de catalogus geschreven: ik geef Newman hier een grote expositie want ik vind hem de drager van de joodse mystiek. De Wilde wil daar nu niet meer van weten. Selectief geheugen. En ik praat in Nederland al vijftien jaar over de nieuwe ballingschap van de joodse cultuur. In Haarlem laat ik deze installatie uit mijn project The Wandering Jew/The Wondering Christian zien, onderdeel van een grotere expositie die ik eerder dit jaar in Leiden heb gegeven in gebouwen van de universiteit. Het is gebaseerd op een acht pagina's groot pamflet dat daar in 1602 is uitgegeven en dat 'Kurtze Beschreibung und Erzählung von einem Juden mit Namen Ahasverus' getiteld is. Het gaat over de mythevorming van de dolende jood.

Over hetzelfde thema werk ik aan een omvangrijk boek dat door LAK in Leiden wordt uitgegeven. Hier heb ik een (open) brief van de paus aan een van zijn kardinalen, geschreven op de dag (12 maart 1998). Hij geeft aan dat de katholieke kerk vanaf 2000 een nieuw begin, een nieuwe relatie met het jodendom moet opbouwen. Hij heeft het over het Derde Rijk, de Holocaust, over Israël. En hij is heel duidelijk over de historische context van wat hij nastreeft.

Lees meer

logo logo logo

Platform GRAS en het CBK Groningen bieden u deze website aan. Met dank aan de Gemeente Groningen.
Colofon | Proclaimer