Platform GRAS CBK presenteren

STAAT IN GRONINGEN

Kunst en architectuur in Stad

vergroot

Misvormde schoonheid: Het kabinet van kunstenares Silvia B.

  • Door: Marcel Möring
  • In: De Volkskrant
  • Plaats en datum van uitgave: Amsterdam 14-10-2004

Silvia B. maakt freaks, zoals een reus in Rotterdam en een verontrustende schoonheid die in Groningen komt te staan. Een onheilspellend beeld, omdat wij bang zijn voor wat diep en duister is.

In E.L. Doctorows meest raadselachtige en onnavolgbare roman, Loon Lake, komt de hoofdpersoon terecht bij een circus. Het is niet zijn bedoeling om het circus achterna te gaan. Hij volgt min of meer onwillekeurig drie lilliputters en een dwerg die een winkel verlaten.

Het is de tijd van de Freak Shows, de circussen die een leeuw of twee hebben en misschien ook nog wel een beer, maar de, voornaamste attracties zijn toch de dikke dame, de wolvenman, de man zonder skelet, de reus en de dwerg. Het is het einde van de negentiende eeuw, het begin van de twintigste, een periode waarin wat is als wij, maar er niet zo uitziet, blijkbaar een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent op het publiek. Misschien is dat een late voortzetting van wat op de grafstenen op sommige oude begraafplaatsen nog te zien is, een skelet in graniet dat zegt: kijk voorbijganger, ik ben wat u zult worden.

Dat is op zichzelf een oud idee. Het stamt uit de veertiende eeuw, toen de pest over Europa raasde en bijna de helft van de bevolking meesleepte. In die tijd duiken de eerste afbeeldingen op van dodendansen, en de eerste schilderijen waarop drie nietsvermoedende, blozende edelen op hun rijtochtje door het woud drie rottende of al ontvleesde lijken ontmoeten.

Die bonte optochten van lijken en skeletten vertelden de veertiende-eeuwse toeschouwer dat hij inderdaad niet ‘zo’ was. Maar hoeveel scheelt het? De 'freak' is net zo 'niet wij' als die vermanende doden. Oog in het oog met het hem of haar, weten we: dat wij redelijk recht van lijf en leden zijn, betrekkelijk gespaard gebleven voor genetisch ongeluk, zegt niet zoveel. Eén fout basepaar, een vergroeide tak in de stamboom, is genoeg. Starend naar de 'freak' denken we: ik had dat kunnen zijn en het is niet mijn verdienste dat ik niet zo ben. Het is wat de Frans-joodse filosoof Levinas bedoeld kan hebben met zijn uitspraak dat wij pas mens worden in het gelaat van de ander.

Maar er is niet alleen herkenning. Soms bevat het andere ook een onverwachte schoonheid. Fanny the Fat Lady, in Loon Lake, mag dan wanstaltig dik zijn, de hoofdpersoon ziet iets anders als zij naar hem glimlacht: 'Her little painted. mouth widened like the wings of a butterfly as if it were basking on some pulpy extragalactic flower. The folds of her chins rising in cups of delicate hue, her blue eyes setting like moons behind her cheeks, she smiled at me and unsmiled, smiled and unsmiled, sitting there with each arm resting on the base of a plump hand supported by a knee that was like the cap of an exotic giant white mushroom.'

Ineens is er poëzie, ja: schoonheid, in het bloezende witte vlees van Fanny. Onschuld, zelfs. Iets delicaats dat zich nauwelijks laat rijmen met het enorme.
De 'freak' werd en wordt door ons, 'normale mensen', bijzonder kwaliteiten toegedicht: op seksueel gebied, als empathisch medium, als verbinding met het beest dat wij eigenlijk nog zijn. In de film Wolf, van Mike Nichols, wordt dat uitgewerkt. Uitgever Will Randall (Jack Nicholson) wordt op een nacht gebeten door een wolf. Na dat ongeluk treden langzame veranderingen op in de arme uitgever. Hij beschikt gaandeweg over steeds meer dierlijke eigenschappen. Hij ruikt beter en stinkt meer, hij ziet scherper, zijn seksuele drive is sterker. De premisse van de film is dat er maar weinig voor nodig is om de lagen van het brein, die zich onder de hersenschors bevinden, te wekken. En dan is de beer, of de wolf, los.

Wij zijn gedomesticeerde beesten, door een vliesdun laagje gescheiden van een wereld die ons tegelijkertijd fascineert en angst aanjaagt. Die wereld fascineert ons omdat moraal, ethiek en alles wat de tien geboden behelzen daar niet meer lijkt te gelden en dat beangstigt ons. Wij zouden beesten willen zijn en overweldigd willen worden door wat diep en duister in ons is, maar wij zijn zo getemd dat we, als het beest in ons wordt losgelaten, terugkomen naar de kooi voor water, voedsel en bescherming tegen onszelf. Beschaving is een onzichtbare gevangenis die we evenzeer wensen als verafschuwen.

Het oeuvre van kunstenares Silvia B. bestaat grotendeels uit freaks die zijn zoals wij zijn en toch niet. Ergens in Rotterdam steekt de bronzen schedel van een enorme man boven het plaveisel uit, alsof er een reus onder de stad woont en de stad maar een korst is waaronder iets groots en onvoorstelbaars heerst. Wie er voor staat, kan nog net de trekken van een atavistische gigant onderscheiden: een geprononceerde neuswortel, een aanzienlijke frons, een kale schedel die een oerkracht suggereert die maar beter onder het plaveisel begraven kan blijven. Van haar is ook een serie van met huid of vacht overtrokken poppen, soms niet meer dan een hoofd, in een aantal gevallen een compleet lichaam. Er zijn twee kinderen die met astrakan zijn bekleed. Ze zijn zwart en wollig, maar niet op een manier die mijn dochter haar vaste uitroep doet slaken bij alles wat een vacht heeft. Schattig? Nee. Lily Lucinda, bijvoorbeeld, is een figuurtje van iets meer dan een meter. Een meisje, lijkt het, maar volledig begroeid met lang blond haar. Ze lijkt op de vrouwelijke pendant van de Wookie uit Star Wars, het enorme behaarde, maar zeer zachtaardige wezen dat naast Han Solo een ruimteschip bestuurt. Lily is verontrustender. De Wookie is een alien; Lily Lucinda had naast ons kunnen wonen.

Haar laatste grote werk is ULTRA, een acht meter hoge sculptuur die vandaag in Groningen komt te staan. ULTRA is een weelderige vrouwentorso op een kinderlichaam, gehuld in een buitenproportionele 'period dress' , een crinoline met queue de Paris. In ULTRA komen alle aspecten van Silvia B.'s werk bij elkaar: de schoonheid van het andere, de vage seksuele connotatie die al haar beelden omgeeft, het kunstmatige en het menselijke. In ULTRA is dat complex uitgemond in een aantrekkelijke, reusachtige en pas bij nadere beschouwing misvormde schoonheid: een acht meter hoge contradictio in terminis.

Van afstand zien we een rijzige dame in avondtoilet, dichterbij vallen de protheses op waarmee haar te korte armen de grond raken. En nog dichterbij wordt haar lijfje zichtbaar, een romp die in geen verhouding staat tot haar rijpe gelaatstrekken en buste, een romp die metershoog boven de grond in die enorme crinoline bungelt.

Zij is als Fanny the Fat Lady, maar dan omgekeerd. Waar Fanny op het eerste gezicht' een absurde hoop vet en vlees is, maar ogen heeft als manen en een mond als een vlinder die uit de bloem van haar gezicht opstijgt, is ULTRA een formidabele schoonheid die naarmate men dichterbij komt steeds verontrustend niet is wat zij leek te zijn. Niemand die het werk van Silvia B. ziet, en zeker niemand die dit grote beeld aanschouwt, zal de vraag kunnen vermijden naar de grondslagen van onze esthetiek. Waarom vinden we mooi wat we mooi vinden, waarom stoot iets ons af als het ons eerst leek aan te trekken (of omgekeerd)? En, belangrijker: wat heeft consensus te maken met die zeer private opvattingen ?

Het beeld ULTRA van Silvia B. wordt vandaag onthuld aan de Emmasingel in Groningen voor de woontoren De Regentes. Marcel Möring is de schrijver van onder meer Modelvliegen (2001) en In Babylon (1977).

Lees meer

logo logo logo

Platform GRAS en het CBK Groningen bieden u deze website aan. Met dank aan de Gemeente Groningen.
Colofon | Proclaimer