Platform GRAS CBK presenteren

STAAT IN GRONINGEN

Kunst en architectuur in Stad

vergroot

De zonaanbidster

  • Door: Fred Leeman en Hillie Smit
  • In: Beelden in de stad Groningen
  • Plaats en datum van uitgave: Groningen, 1985

Aan de weg door het Noorderplantsoen staat op een sokkel van gemetselde natuursteen een beeld van een zittend meisje met opgetrokken knieën. Ze kijkt omhoog en geeft zich over aan zon en lucht. In 1952 werd dit beeldje, dat door het publiek 'zonaanbidster' wordt genoemd, door Mattheus Meesters gemaakt. De in 1908 in Haren geboren beeldhouwer en médailleur Mattheus Meesters kreeg lessen aan de M.T.S. te Groningen aan de afdeling Kunstnijverheid. Zoals bij tal van zijn Groningse collega 's het geval is, was Willem Valk zijn leermeester. Later, van 1937 tot 1940, was Meesters in de leer bij Ernst Wijnands aan het Hoger Instituut te Antwerpen (1).

In 1951 werd een prijsvraag uitgeschreven door de Gemeente Groningen, waarbij beeldhouwers in staat zouden worden gesteld om een beeld te ontwerpen voor een door hen zelf te bepalen plek in de stad. Uit de inzending van vier mededingers werd tenslotte Meesters ontwerp uitgekozen (2).

Het beeldje maakt een massieve indruk, doordat Meesters zeer economisch met zijn materiaal, Euville kalksteen, is omgesprongen. De contouren van het blok zijn in de figuur nog duidelijk af te lezen. De vorm is tot stand gekomen door eigenlijk betrekkelijk weinig steen weg te hakken. Hieruit blijkt, dat de beeldhouwer zich zeer bewust was van de beperkingen, maar ook van de kracht van het hakken van een figuur in steen. Dit laat ook niet toe, dat allerlei naturalistische details zoals haren en verschillen in stofuitdrukking worden uitgewerkt. Hij moest zich bepalen tot globale vormen. Zijn beeldje kreeg daardoor ook een algemene betekenis. Het is niet de weergave van een individuele, anekdotische figuur, maar een tijdloze, algemene uitbeelding van overgave aan de natuur.

Het motief van een figuur met opgetrokken knieën komt al voor in de Egyptische beeldhouwkunst van het vroege Middenrijk, dat is vanaf ongeveer 2000 v. Chr. Dat betreft dan beelden van overledenen, die in nissen werden opgesteld, gericht naar het oosten, naar de opgaande zon en wachtend op hun opstanding. Niet alleen de vorm, maar ook de betekenis van het beeldje van Meesters lijken van zeer oude afkomst te zijn (3).

De aanleiding om een dergelijk beeld te maken, moet echter gezocht worden in recentere tijden. In de 19de eeuw was de beeldhouwkunst in grote mate afhankelijk geworden van de schilderkunst, zowel in de keuze van de motieven als in de houding van de beeldhouwer tegenover zijn materiaal. Steeds meer werden realistische onderwerpen gekozen, terwijl er tegenover het materiaal grote onverschilligheid ontstond. Vaak lieten beeldhouwers hun ontwerpen in ander materiaal door een steenhouwer uitvoeren.

Tegen die houding ageerde de Duitse beeldhouwer Adolf von Hildebrandt in zijn Das Problem der Form in der bildenden Kunst uit 1893. Hij voerde in dit uiterst invloedrijke boek een pleidooi voor het directe hakken in steen, uitgaande van een tekening op het blok. Een plastische vorm zou op deze wijze ontstaan vanuit de eigenschappen van het materiaal en als direct gevolg van de manier van hakken van de beeldhouwer. Ook moest de nadruk gelegd worden op globale, plastische hoofdvormen. Een vanzelfsprekend gevolg van deze werkwijze was het verlaten van een gedetailleerde weergave van een individuele figuur ter wille van een algemeen type met een algemene betekenis (4). Deze herformulering van de grondslagen van de sculptuur is van groot belang geweest voor de ontwikkeling van de beeldhouwkunst in deze eeuw, met name in Nederland, waar prof. J. Bronner het direct werken in het materiaal, in hout en in steen, weer in zijn lessen introduceerde.

Uiteindelijk zou deze benadering van de beeldhouwkunst in het werk van Mattheus Meesters leiden tot een nog verdergaande vereenvoudiging van de menselijke figuur. Daarvan getuigt een ander werk van zijn hand, bijgenaamd 'spelende kinderen', dat in 1970 in opdracht van de woningbouwvereniging 'Volkshuisvesting' aan de Zonnelaan in De Paddepoel is neergezet. De menselijke vormen zijn in dit beeld nog veel sterker geabstraheerd tot enkele geo- metrische figuren en tegenfiguren. De stijl van het werk is aangepast aan de omgeving waar het beeld terecht zou komen: de strakke torenflats van een nieuwbouwwijk.

Noten
1. Tent.catalogus Groningen 1956: W. Jos de Gruyter, 35 jaar Moderne Kunst in Groningen, Groninger Museum, Groningen 1956.
2. Gemeentearchief Groningen, dossiernummer 1.854.13.
3. Tent.catalogus Rotterdam 1979: Goden en Farao's, Museum Boymans-van Beuningen, Mainz 1978, cat.nrs. 15 en 29.
4. Voor meer over Adolf von Hildebrand zie: Rudolf Wittkower,Sculpture. Processes and Principles, Harmondsworth 1979, in het bijzonder 232-234 en 244-249.

Lees meer

logo logo logo

Platform GRAS en het CBK Groningen bieden u deze website aan. Met dank aan de Gemeente Groningen.
Colofon | Proclaimer