Platform GRAS CBK presenteren

STAAT IN GRONINGEN

Kunst en architectuur in Stad

vergroot

Blote Bet, de Stedemaagd, of: ‘Blijft dat zo naakt, schilder?’

  • Door: Lilian Vinther
  • In: Groningen Toen
  • Plaats en datum van uitgave: Groningen, 1981

Al dertig jaar trekken duizenden dagelijks langs haar heen. Ze kijkt kalm en fier over de hoofden van al die voorbijgangers in de verte. Parmantig hoofdje, de rug recht, sierlijke handen wijzend naar de brede heupen, het ene fors gevormde been stevig op de grond geplant, het andere gebogen en rustend op een liggend dier .

Iedereen kent haar wel, het naakte vrouwenbeeld op de hoek van de Herebrug in de stad Groningen. Vaak wordt ze de Stedemaagd genoemd; voor anderen heet ze Blote Bet. Ze is in de jaren dat ze er nu staat een vertrouwd stukje stad geworden, maar ze is niet kritiekloos verwelkomd. Meteen bij haar komst eisten verontwaardigde ingezonden brieven-schrijvers, dat de gemeente dit 'zedeloze kunstproduct' van de openbare weg moest verwijderen. Een andere Groninger had het beeld indertijd echter liever wat 'rauwer en voller' gezien. De beeldhouwer was zelf 'niet blij' met het beeld.

Dertig jaar en een soort van sexuele revolutie later is haar ontklede staat niet meer een punt van preutse kritiek. Maar de ergernis van de kunstenaar is gebleven. En haar lichaamsvormen geven bij passanten ook nu nog aanleiding tot opmerkingen over een te platte boezem en te dikke benen. Ook heerst nog steeds verwarring over de aard van het beest onder haar voet: is het een schaap, een kalf, een hond? En wat betekent die friemelige band dwars over haar buik? En waaròm staat ze daar eigenlijk bij de Herebrug, Blote Bet, de Stedemaagd?

Brug der zuchten

Het beeld werd in december 1953 geplaatst ter gelegenheid van de opening van de nieuwe Herebrug. Van die twee, beeld en brug, zal nu het beeld de meeste aandacht trekken; de brug is gewoon een van de vele waarover je de binnenstad in- of uitgaat. Maar indertijd was het beeld slechts bijzaak. Het werd zelfs niet officieel onthuld, het stond er eenvoudigweg al te staan op die zaterdag in december, toen de Herebrug met veel fanfare en festiviteiten werd geopend. Omdat zonder deze brug het beeld er niet had gestaan, is het aardig in dit verband in het kort iets over de Herebrug te vertellen.

De ingebruikneming van de nieuwe brug was voor de stad een zaak van het opperste belang. Eeuwenlang, vanaf de vestiging van Groningen, is de Hereweg de belangrijkste toegangsweg naar de stad geweest. De Herebrug dankt zijn naam aan de legers oftewel heirscharen, die langs deze weg vanuit het zuiden oprukten. Tot de bouw van het Emmaviaduct in de zestiger jaren en later de aanleg van de snelweg bleef de Hereweg de levensader, die Groningen met de rest van de wereld verbond.

In al die eeuwen is er ook altijd een brug geweest, die bezoekers aan het eind van de Hereweg moesten passeren om in de stad te komen. In de middeleeuwen werd daar, net als bij de andere toegangswegen, een poort neergezet. 's Avonds werden de houten bruggen deels opgeklapt en met hekken afgesloten en gingen de poorten op slot: na sluitingstijd werd niemand meer de stad binnengelaten als beveiliging tegen nachtelijk gespuis. In tijden van oorlog werden de bruggen zelfs helemaal onbruikbaar gemaakt om belegeraars te beletten de stad in te nemen.

Bij de ontmanteling van de stad in de vorige eeuw werden, tegelijk met het neerhalen van de vestingwerken, ook het Verbindingskanaal en nieuwe bruggen aangelegd. Zo werd in 1879 de oude Herebrug in gebruik genomen, een draaibrug van 8 meter breed. AI zal de brug in die tijd van koetsen ongetwijfeld zijn aangepast aan de toen geldende normen, de oude Herebrug bleek volstrekt niet berekend op het oprukken van de auto en de steeds toenemende verkeersdrukte van deze eeuw. Bovendien raakte de brug gehavend tijdens de bevrijdingsstrijd in april 1945. AI snel na de oorlog werd de wankele en smalle brug een grote hinderpaal voor het verkeer. De dagelijkse langdurige opstoppingen leidden tot de bijnaam 'de brug der zuchten'.

Met veel gejuich werd dan ook begin 1951 de voordracht van burgemeester en wethouders begroet om een nieuwe, stevige en vooral brede (22 meter) brug te laten bouwen. Kosten, inclusief aanleg noodbrug en omleiding trolleydiensten, zo’n f 2 miljoen. Het duurde nog ruim een jaar voordat de financiering rond was, maar toen kwam er ook meteen schot in de zaak. In de zomer van 1952 werd begonnen met de aanleg van een noodbrug. En op 29 september werden de afsluitbomen van de oude Herebrug voorgoed neergelaten.

'Wensen iets zinvols'

Op de begroting voor de nieuwe Herebrug was ook een post 'versiering' opgenomen. Terwijl druk werd gehamerd aan de noodbrug , besloten b. en w. ook aan die versiering meer vorm te geven. De gedachten gingen uit naar een beeldhouwwerk. Eind augustus 1952 werden de directeuren van Openbare Werken en van Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting om suggesties ge- vraagd. 'Wensen iets zinvols', staat er gekrabbeld op een notitie van b. en w.

De hoge ambtenaren bevalen bij het college van b. en w. de Groninger beeldhouwer Wladimir de Vries aan, toen een 'jonge en veelbelovende kunstenaar', wonend in Haren. Op 9 september 1952 werd hij per gemeentelijk schrijven uitgenodigd een ontwerp te maken voor een 'zinvol beeldhouwwerk' en tevens een kostenopgave te doen. 'Ze kwamen bij mij terecht door mijn beeld van een veulen op de Radesingel’, vertelt Wladimir de Vries (65), nu wonend in de stad Groningen. Dit beeld, ook wel 'Lutje Loeks' genoemd, was een jaar eerder, in onthuld. 'Ik kreeg de opdracht voor het veulen door het winnen van een prijsvraag. Het beeldje was blijkbaar heel erg goed aangeslagen bij de gemeente, want ze schreven voor de Herebrug geen wedstrijd uit, zoals vaak gebruikelijk is, maar stapten meteen op mij af'.

Na overleg met de directeur van Openbare Werken, ir. H.J. van Helden, ging Wladimir de Vries meteen aan de slag. Binnen een maand meldde hij b. en w., dat hij het ontwerp voor het beeldhouwwerk en een maquette van het geheel, voor zover dat in verband stond met het plastiek, gereed had en nodigde het college uit dit in zijn atelier bij daglicht te komen bezichtigen.

Er was mij te kennen gegeven, dat het beeldhouwwerk verband moest houden met de stad Groningen. En zo kwam ik op een jong meisje, dat als Stedemaagd de stad symboliseert. Het kalfje en de korenaren zijn bedoeld om uitdrukking te geven aan de verbondenheid van de stad met het ommeland, een gebied van landbouw en veeteelt', vertelt Wladimir de Vries.

'Blijft dat zo naakt, schilder?'

'Ik was zelf wel blij met het ontwerp. Door de plaatsing van de voet was een logische compositie ontstaan tussen het meisje en het kalf. Het was een mooi soepel en onbevangen meisjesfiguurtje. Bij de prijsvraag voor de Radesingel had ik bewust geen naakt gekozen, dat kon niet met de Jozefkerk op de achtergrond, dat zou men op die plaats nooit hebben getolereerd. Bij een wedstrijd voor een beeld in de Prinsentuin kwam ik ook eens met een naaktje, maar toen werd me al van te voren door de wethouder duidelijk gemaakt dat ik daarmee weinig kans maakte. Maar bij de Herebrug dacht ik: ik waag het erop met een naakt'.

Op zaterdag 1 november des voormiddags te 10.30 uur kwamen b. en w., zoals zij hadden aangekondigd, het ontwerp keuren in de werkplaats van de kunstenaar aan de Ter Borgsteeg in Haren. 'Ik had de hele werkplaats afgeladen vol. Iedereen was er, burgemeester Tuin, mevrouw Aarsen-Jansen en andere wethouders, de directeur van Openbare Werken, de gemeentesecretaris, en nog veel meer. Ze vonden het allemaal mooi, niemand opperde bezwaren', aldus Wladimir de Vries.

'Totdat er na een poosje op de achtergrond iemand vroeg, tot grote hilariteit van anderen: “Blijft dat zo naakt, schilder?” Later bleek dat de onderwijswethouder J.B.H. Hulsman te zijn. Hij wist blijkbaar niet zo goed het verschil tussen een schilder en een beeldhouwer. Bij bepaalde gelegenheden werd die uitdrukking een gevleugeld woord: "Blijft dat zo naakt, schilder?". Hij dacht zeker dat naderhand, als het ontwerp in het groot werd uitgevoerd, er een doekje overheen zou komen'. De Vries lacht.

'Hij zei zelf het ontwerp op zich wel mooi te vinden, maar zat duidelijk aan zijn achterban te denken. Hij was KVP-wethouder. Hij wou er dan wel mee accoord gaan, als de pastoor het goed vond. En de volgende dag stond er inderdaad meteen een pastoor bij mij op de stoep. Dat was waarschijnlijk een man met meer ervaring, want die vond het prachtig. Toen had Hulsman er ook niets meer op tegen'. aldus de beeldhouwer. ‘Al die commissies die voor anderen de boel zedig moeten houden, terwijl ze roepen dat ze persóónlijk geen bezwaren hebben: ik vind het een stuk schijnheiligheid'.

Rauwer

De Raad voor de Kunst, die het gemeentebestuur over de aanschaf van het beeld moest adviseren, stoorde zich niet aan het naakt. 'Het meisjesfiguurtje is heel mooi, het heeft iets zelfbewust en toch daarbij iets teers. Verder is het naakt op zo'n kuise manier behandeld, dat alleen iemand die a priori alle naakt verwerpt (nou ja, ik bedoel: voor een beeld in het openbaar), hier bezwaar tegen kan maken', schreef ir. J.A. Mulder, directeur van Kunstacademie Minerva en lid van de Raad voor de Kunst.

Een ander lid, de schilder Johan Dijkstra, bleek het figuurtje zelfs té kuis te vinden.Persoonlijk had ik het beeld, dat de ingang van de stad Groningen accentueert (symboliseert) graag rauwer en wat voller gezien, iets minder sportief. Hij verwees daarbij naar het opschrift bij een van zijn eigen wandschilderingen in het stadhuis: ‘Ziet Groningen – de stad, die niet alleen het voorspoedig kind is, maar ook de rijke voedster der Ommelanden’. Het is duidelijk: de heer Dijkstra had voorkeur voor een goed gevulde boezem. De onderbenen vond Johan Dijkstra daarentegen weer té gevuld, zelfs vormeloos en dik, maar dit is tegenwoordig wel ongeveer de algemene stijl van de beeldhouwkunst’, zo schreef hij. Ook had hij, evenals anderen, kritiek op de veel te korte armen van het ontwerp, maar dat zou bij de volledige realisatie van het beeld wel weer goed komen, zo vertrouwde men.

De leden van de Raad voor de Kunst kweten zich zeer nauwgezet van hun taak. Bij de beoordeling van het beeldontwerp werden alle details minitieus afgewogen en uitvoerig verwoord. Zo schreef tandarts J.L. de Boer: 'Korenaren laten zich niet op de aangegeven wijze in een streng langs het lichaam houden en bovendien zal geen mens korenaren tegen z’n blote buik drukken, dat moet wel een ellendig gevoel zijn'. Dr. A.P .A. Vorenkamp, directeur van het Museum voor Oudheden aan de Praediniussingel (nu Groninger Museum), leefde zich echt helemaal in het beeld in. Na een pleidooi voor het vrij laten van de kunstenaar en voor niet teveel nadruk op symboliek, schreef hij: 'Het speelsch aanraken van het kalverkopje wordt misschien wel vervelend als het meisje zoo speelsch voor dagen, maanden, jaren blijft staan - een steviger houvast lijkt mij beter. Het kalfje iets ouder en de voet op de nek met de kop gebogen - "Kip ik heb je". De korenaren op de buik kunnen dan vervangen worden door een eind touw waarmede het kalf ter veemarkt zal worden gevoerd (de veemarkt werd toen nog vlakbij de Herebrug gehouden op de plek waar nu het cultuurcentrum De Oosterpoort is verrezen –l.v.) De juffrouw springt van de andere brug af - de brug bij de veemarkt en zwemt met forse slag naar de Hunze om haar jurkje terug te vinden. U ziet, symboliek en zinrijkheid te over. Géén korenaren, niet te veel zin. Laat het kalf desnoods aan een bonkje hooi knabbelen.

De voet op de nek

De voet op de kop van het kalfje was overigens het enige serieuze punt van kritiek. ‘De voet op de nek' deed, met vijf jaar bezetting nog vers in het geheugen, teveel denken aan oorlog en onderdrukking. De heer W.L. Leemhuis zag daarom graag, dat de tred van de voet zeer licht werd gesteld en de plaats van de voet iets meer naar achteren, even van de kop af. Dan kreeg het beeld 'wat meer van een liefkozing'. Ook de directeur van Minerva verzocht hierom, maar meende toch 'dat de indruk van "de voet op de nek" bij het publiek zou blijven bestaan'. Ook tandarts De Boer vond 'de houding van de voet op de nek niet fraai gevonden; is meer de houding van een jager op groot wild na afloop der jacht of de houding van Sabu persoonlijk'.

Afgezien van deze aanmerkingen was men in het algemeen vol lof over het beeldontwerp. Er waren ook leden als Andrea Elkenbracht, die kort maar krachtig liet weten: 'Het doet me genoegen u te kunnen zeggen, dat ik het héél mooi vind'.

De bezichtiging van het ontwerp werd nog gedurende een week verlengd. Een aantal leden van de Raad had van de eerste mogelijkheid geen gebruik gemaakt, maar wilde het, nieuwsgierig geworden door opmerkingen tijdens de vergadering in november, nu toch ook graag met eigen ogen in het atelier aanschouwen.

De wethouders Pit van Loo en mevrouw A.J. Aarsen-Jansen brachten tenslotte op 16 december een bezoek aan Wladimir in zijn atelier voor een afrondend gesprek. Ze brachten hem zowel de lof als de kritiek van de leden van de Raad voor de Kunst over. De beeldhouwer wist zijn bezoekers gerust te stellen, en nog tijdens het gesprek werd hem de definitieve opdracht voor het beeldhouwwerk verleend.

Mevrouw Aarsen-Jansen schreef in haar verslag van het bezoek: 'Hij dacht aan enkele dingen misschien wel tegemoet te kunnen komen, doch niet aan alle. Het idee was in zijn gedachten ook nog niet geheel rijp en zou bij de uitwerking nog moeten groeien. Voor zover het hem mogelijk is zal hij met de gemaakte opmerkingen rekening houden'.

Voorts werd voor het maken van het beeldhouwwerk een totaalbedrag van f 18.000,- overeengekomen, te betalen in vier termijnen. Dit bedrag was zo om en nabij één procent van het hele bedrag, dat voor de bouw van de nieuwe Herebrug was geraamd.

Onmiddellijk na het bezoek greep Wladimir de Vries de pen en schreef aan b. en w.: 'Ik deel u gaarne mede, dat ik deze zeer belangrijke opdracht in dank aanvaard en dat ik er metéen mee begin'.

Wladimir de Vries nu over zijn belofte om rekening te houden met de opmerkingen van de Raad voor de Kunst: 'Ik heb nooit iets veranderd aan een ontwerp. Opdrachtgevers zijn altijd leken”, zegt hij met het dédain van de ware kunstenaar voor het burgerdom.

Verprutst

Toch is hij nooit tevreden geweest met het beeld, zoals het uiteindelijk,is geworden. 'Ik was wel blij met het ontwerp. Voor mij is ontwerpen de creatie. Bij het vergroten komt er wel vakmanschap en dergelijke aan te pas, maar in het ontwerpen zit de inspiratie, het kunstenaarschap. Het is voor mij moeilijk geweest het onbevangene van dit ontwerp vast te houden. Dat prille van het kleine ontwerp heb ik niet kunnen terugkrijgen in het grote beeld. Misschien was dat toen gewoon onkunde, misschien zou ik er nu wél toe in staat zijn'.
Maar de meeste schuld berust volgens de beeldhouwer bij de bronsgieter, Stoxen in Leiden. 'Een beeld moet eigenlijk van één klomp brons worden gegoten. Maar bij dit grote beeld was dat moeilijk, en daarom is de maagd in gedeelten gegoten. Het gips is in stukken gezaagd, de verschillende delen zijn in brons gegoten en aan elkaar gelast. Dat moet uiterst vakkundig gebeuren. Helaas is dat niet goed gegaan, ze hebben het verprutst, zegt De Vries.
'Daardoor is het hele subtiele van de houding verloren gegaan. Het beeld is stugger, minder soepel en elegant. Ook hebben ze het oortje van het kalf te ver laten zakken en de stand van de kop veranderd. Daarom denken sommigen dat het een schaap is’.

'Toen ze in Leiden met het beeld bezig waren, ben ik langs geweest bij de bronsgieterij. Ik merkte dat het mis ging en heb heel erg in strijd gestaan. Moest ik het laten weghalen om het ergens anders te laten gieten? Maar dan was er het grote risico dat het gips tijdens het vervoer kapot zou gaan. Daarom heb ik het maar in Leiden gelaten. Maar ik geloof achteraf, dat ik de verkeerde beslissing heb genomen. Ik heb zelfs, toen het beeld al was geplaatst, een proces tegen de bronsgieterij overwogen. Maar ach, een ander ziet het niet, terwijl je zelf precies ziet wat er fout is gegaan'.

'Brons is een legering van koper en tin. Voor de verschillende delen van dit beeld zijn verschillende legeringen gebruikt, en dat geeft kleurverschillen. Nu werd het beeld nadat het was gelast in z’n geheel donkergroen gepatineerd, dus in feite zag je niks van die kleurverschillen. Maar ik verbeeld me nu, dat ik wél kleurverschil zie'.

'Ik loop nooit met plezier langs het beeld. Het is niet zo, dat ik m'n hoofd omdraai, wanneer ik langs de Herebrug kom, maar de ergernis blijft. Ook na dertig jaar. Ik heb vroeger wel es gedacht: als ik rijk word laat ik het overgieten. Maar dat kan niet meer, het gips is weg'.

Dikke benen

Er wordt verteld, dat voor het ontwerp van de Stedemaagd twee verschillende vrouwen hebben geposeerd: één voor het hoofd en één voor de rest van het lichaam. Wladimir de Vries: 'Het ontwerp is uit fantasie geboren, niemand heeft echt ervoor geposeerd. Zo werk ik niet, ik ben gebonden aan niets. Als ik ergens mee zit, met een bepaald lichaamsdetail of een houding, Iaat ik wel iemand voor me poseren. Maar ik ga niet naturalistisch te werk, ik maak geen exacte kopie van degene die poseert. Het gaat er daarbij alleen om, dat de verhoudingen kloppen'.

Hoe zit het met de vaak bekritiseerde platte boezem in verhouding tot het verder vrij volumineuze lichaam? De Vries: 'Het gaat om een maagd, de Stedemaagd. In het oorspronkelijke ontwerp zat ook veel meer van een jong meisje, en daarbij past geen rijpe borstpartij. Maar in het uiteindelijke beeld is dat prille verloren gegaan, terwijl de jonge meisjesboezem wel is gebleven’.
De dikke benen? De Vries: ‘Kijk, als je een beeld buiten zet, verliest het altijd aan volu me door de ruimte erom heen. Je moet bij de uitvoering van een beeld altijd rekening houden met de omgeving waarin het komt te staan. De werking van een beeld is op de ene plaats heel anders dan op de andere. Als een beeld buiten vrij komt te staan, maak ik het daarom vaak iets zwaarder, aldus de beeldhouwer. Even later, grijnzend: 'Bovendien hóu ik wel van zware benen!'

Karig

Terwijl de kunstenaar aan het beeld werkte en met lede ogen de gang van zaken bij de bronsgieterij aanzag, werd naarstig verder gewerkt aan de nieuwe Herebrug. De officiële opening werd bepaald op zaterdag 19 december. Er werd in de vier dagbladen, die Groningen toen nog rijk was, naar deze datum toegeleefd, alsof dit de gebeurtenis was die de stad dan echt zou opstuwen in de vaart der volkeren.

Twee dagen voor de opening werd zonder veel omslag het beeld van de Stedemaagd op het voetstuk bij de brug geplaatst. Alleen Het Vrije Volk (dat in die jaren nog een aparte stad-Groninger editie had) wijdde een foto met onderschrift aan dit feit.

Ook bij de festiviteiten rond de opening, die vele duizenden toeschouwers trokken, was maar betrekkelijk weinig belangstelling voor het beeld van de Stedemaagd. Zoals Wladimir de Vries zelf ook zegt, het ging niet om het beeld, maar om de brug. Wel was een centrale plaats ingeruimd voor een andere Stedemaagd, die gehuld in wijdvallende middeleeuwse kleding en met een lange blonde pruik op het hoofd burgemeester Jan Tuin bij de openingsactiviteiten terzijde stond.

Ter gelegenheid van de opening bracht Het Vrije Volk die zaterdag een extra editie uit, geheel gewijd aan de brug. De maandag daarop en ook de volgende dagen stonden de kranten in de stad vol van het openingsfeest en de historie van de Herebrug. Over het beeld werd nauwelijks gerept: een karig enkel regeltje, een klein fotootje. De protestants-christelijke Nieuwe Provinciale Groninger Courant negeerde het beeld in haar kolommen zelfs volkomen.

Aanstoot

Toch ging de verschijning van het beeld niet onopgemerkt aan de stadjers voorbij. Sommigen namen er zelfs hevig aanstoot aan, getuige ook een serie ingezonden brieven in het katholieke dagblad Ons Noorden. Ene mevrouw M.M. bond als eerste de kat de bel aan en verwoordde haar grieven aldus:

'Met grote belangstelling en met een zekere opgewektheid heb ik de opening van de prachtige Herebrug. gevolgd. Met recht is hier een groots werk tot stand gebracht. Maar met verontwaardiging heb ik - en met mij vele anderen - daar een naakte vrouwenfiguur zien staan. Wat betekent dat? Een Stedemaagd?

Bij de officiële openingsplechtigheid trad ook een Stedemaagd naar voren, maar die was toch óók gekleed? Nog eens, wat en waarom, die zogenaamde betiteling van Stedemaagd? We zullen het misschien zuiver als een kunstwerk beschouwen, maar dan hoort het beeld nóg in een museum thuis en niet aan de openbare weg. Het is zeer kwetsend voor ons vrouwelijk gevoel en ik protesteer daartegen met klem. Het beeld past daar in het geheel niet en ik begrijp niet dat de gemeentelijke overheid dit niet aanvoelt. Wanneer we dit gaan tolereren, dan zijn alle remmen los en gaan we hopeloos ten gronde. Ik ben beslist geen kwezel, maar meen toch ernstig hiertegen te moeten waarschuwen'.

De lichtelijk hysterische opwinding over het naaktbeeld komt nogal vermakelijk over op de lezer van nu. Vooral de opmerking van de briefschrijfster over de wél aangeklede Stedemaagd werkt nogal komisch, als men daarbij de kranten - foto's ziet van deze potsierlijk uitgedoste dragonder. De opvattingen over wat zedenkwetsend is aan de openbare weg zijn de afgelopen dertig jaar behoorlijk veranderd.

Maar men moet ook beseffen, dat de Stedemaagd op de Herebrug eigenlijk het eerste naaktbeeld was, dat in Groningen werd geplaatst. De stad was toch al niet rijk aan beelden, maar wat er stond overschreed geen enkele fatsoensnorm: bijvoorbeeld het beeld ter nagedachtenis aan Jozef Israëls aan het Hereplein, het borstbeeld van majoor Thomson aan de Hereweg, het beeld van Christus Koning bij de Martinuskerk (zie ook vorige uitgaven van Groningen Toen). De enige uitzondering vormden wellicht de figuren op het reliëf van de Korenbeurs, met de mannen slechts gekleed in een vijgeblaadje. Maar ook hier zijn de vrouwefiguren afgebeeld in lange gewaden (al verhullen die hun lichaamsvormen bepaald niet).

De verontwaardiging over het zedenkwetsende beeld ebde na niet al te lange tijd weer weg. De gemeente piekerde er niet over het beeld weg te halen, ook de fatsoensrakkers moesten met deze nieuwe stadsgenote leren leven.

AI stoorde lang niet iedereen zich aan de naaktheid van het beeld, toch werd die wel als zo ongewoon ervaren dat de Stedemaagd een bijnaam kreeg: Blote Bet (overigens is deze benaming niet bij alle stadjers bekend). Over het ontstaan van deze naam valt alleen te gissen, Wladimir de Vries dacht dat het met een liedje had te maken, In het Amsterdamse volkstoneelstuk 'De Jantjes' komt de figuur Bleke Bet voor, maar het is niet duidelijk of de benaming Blote Bet daarop stoelt. Het meest waarschijnlijk is nog de suggestie, dat de naam gewoon spontaan is ontstaan, met Bet achter Blote, omdat dat door de allitteratie zo lekker klinkt.

Bustehouder

Het beeld van de Stedemaagd is door de jaren heen diverse ,malen mikpunt geweest van grappenmakers. Haar blote borsten zijn kuis bedekt met bustehouders, ze is met verf beklad en met stickers beplakt.
Wladimir de Vries: 'Ik maak me niet zo druk om dat soort lolletjes, ik distantieer me ervan. Met het ene beeld ben je blijer dan me! het andere, maar het blijf altijd wel van jezelf. Toch moet je het loslaten. Beelden die je buiten zet geef je over aan Jan en Alleman, die kun je niet meer beschermen’.

Lees meer

logo logo logo

Platform GRAS en het CBK Groningen bieden u deze website aan. Met dank aan de Gemeente Groningen.
Colofon | Proclaimer