Op de Grote Markt, centrum van de stad, zijn meer kunstwerken te zien dan men op het eerste gezicht zal denken. Velen zullen ongemerkt voorbijlopen aan de reliëfs die, merendeels boven ooghoogte, tegen de gevels van een aantal naoorlogse kantoorgebouwen zijn aangebracht. In de noordelijke pleinwand, tussen de Oude Ebbingestraat en de Kreupelstraat, is de Amro Bank gevestigd. Schuin boven de ingang steekt op de eerste verdieping een klein balkon uit waaraan bij wijze van gesloten balustrade een reliëf hangt van Wessel Couzijn (1912-1984), één van de belangrijkste Nederlandse beeldhouwers van onze eeuw. Het reliëf is gehouwen uit een rechthoekige plaat travertijn. Doordat de voorgevel een bekleding heeft van hetzelfde natuursteen, vormen gebouw en kunstwerk een eenheid maar valt de versiering enigszins weg tegen z’n achtergrond.
Groningen bezit langs de weg weinig werk van kunstenaars die gedurende de eerste helft van de eeuw het gezicht van de Nederlandse beeldhouwkunst bepaalden. De generaties die na ongeveer 1950 de toon gingen aangeven, zijn beter vertegenwoordigd. Behalve van Couzijn is de stad twee beelden van Carel Visser, een plastiek van Couzijns vriend Willem Reijers en een beeld van David van de Kop rijk, om er enkele te noemen. Het Groningse publiek werd in die tijd door grote tentoonstellingen in de openlucht, onder andere in het Stadspark, op de hoogte gebracht van de ontwikkelingen in de nationale en internationale beeldhouwkunst. Nadat Couzijn in 1954 en 1956 al had geëxposeerd in het Stadspark en in het eerstgenoemde jaar ook werk van hem te zien was geweest in het Groninger Museum, kreeg de stad in 1957 permanent een beeld van hem in de uitstalkast. Wie Couzijn de opdracht voor het reliëf heeft bezorgd: de toenmalige Amsterdamse Bank of de architect van het bankgebouw, ir. J.J.M. Vegter, is niet met zekerheid te zeggen.
Couzijn en Reijers hebben zich op markante wijze onderscheiden doordat zij na de Tweede Wereldoorlog de doorbraak van de moderne beeldhouwkunst in Nederland hebben bewerkstelligd: rijkelijk laat, want de bouwkunst en de schilderkunst droegen al veel eerder een internationaal karakter. Hun voorsprong wordt toegeschreven aan hun opleiding in het buitenland. Couzijn met name in New York, waar hij lessen heeft gevolgd van Zadkine. Zadkine is echter niet de kunstenaar die door Couzijn het meest werd bewonderd, in tegenstelling tot veel andere jongere beeldhouwers. Couzijn was meer onder de indruk van het werk van Lipschitz.
Als één van de eerste beeldhouwers na de oorlog liet Couzijn de directe herkenbaarheid in zijn werk los. Het reliëf aan de Amro Bank is een zogeheten ajourreliëf. De ‘voorstelling’ van gevarieerde, niet nader te omschrijven vormen is verdiept in de natuursteenplaat aangebracht door middel van uithollingen en openingen (ajour (Fr.)=opening), zodat men er doorheen kan kijken. Het verschil in diepte van de uitsparingen zorgt voor schaduwen in verschuivende donkergradaties, waardoor de plaat haar vlakke karakter verliest en ruimtelijke werking ontstaat. Vergeleken met andere reliëfs van Couzijn, die ver buiten hun kaders treden, bezit dit werk overigens geringe plasticiteit. Het levendige, ogenschijnlijk abstracte lijnen- en vlekkenspel contrasteert met de rigiditeit van de architectuur van het bankgebouw. Ogenschijnlijk, want in de compositie blijkt een zeer sterk gestileerd beeld te schuilen van twee handen, die van handel en industrie en die van het bankwezen, pijlers van het kapitalisme, die elkaar nodig hebben. Zo bericht het Nieuwsblad van het Noorden althans na de onthulling in 1957.
Couzijn beschouwde zichzelf ook niet als een ‘abstract’. “Ik heb in zekere zin altijd figuratief gewerkt. Ik ben niet totaal abstract, niet totaal figuratief (-)… Omdat ik ervan uitga, dat niemand iets kan maken wat niet bestaat. We hebben nog nooit een nieuwe vorm ontdekt”, zei hij in 1968 in een interview met Ischa Meijer. Een menselijke gestalte, een verhaal of een gebeurtenis wordt door hem zodanig getransformeerd dat we het niet meer herkennen uit onze omgeving.
Couzijn heeft maar zelden gebeeldhouwd in de letterlijke zin van het woord. Zijn werk is merendeels duurzaam uitgevoerd en ook gedacht in brons. Het balustradereliëf blijkt het allerlaatste in steen gehouwen beeld te zijn, gemaakt op een moment dat hij zich al enige jaren uitsluitend had toegelegd op bronzen. Dit maakt het mede tot een opmerkelijk onderdeel uit Couzijns boeiende oeuvre.